‘Een model staat altijd aan’

29 augustus 2018

In de context van een ‘gulzige’ en veeleisende modellenindustrie, betekent model zijn hard en soms zelfs obsessief werken. De lichamelijke, emotionele en persoonlijke toewijding van modellen staat echter in pijnlijk contrast met de vaak lage waardering en financiële opbrengst voor hun inspanningen.

Vooral voor diegenen die werken in het centrum van de mode, zoals in Parijs, waar de concurrentie en de schoonheidsstandaarden hoog zijn, neemt modellenwerk intensieve en continue vormen aan, maar is de kans op succes laag. Tegelijkertijd bevinden deze modellen zich in een professioneel veld waar een moreel taboe rust op ‘je best doen’, wat het extra ingewikkeld maakt om het werk goed uit te voeren. Deze omstandigheden zorgen ervoor dat modellen aanzienlijk van hun ‘zelf’ verwijderd kunnen raken. Tot deze conclusie komt Sylvia Holla in haar onderzoek. Ze promoveert op vrijdag 14 september aan de Universiteit van Amsterdam.

Socioloog Holla deed etnografisch onderzoek in Parijs, Amsterdam en Warschau onder zowel mannelijke als vrouwelijke modellen en allerlei andere modeprofessionals. ‘Modellen doen wat we in de sociologie esthetische arbeid noemen’, vertelt Holla. ‘In hun industrie gelden schoonheidsstandaarden die in grote lijnen zijn gebaseerd op normen die slankheid, jeugdigheid en vaak een witte huidskleur als ideaal voorstellen. Om hieraan te voldoen moeten modellen hun lichaam op professionele wijze onderhouden en cultiveren. Tegelijkertijd worden zij geacht te werken aan een bepaalde houding en uitstraling en het tonen van een bepaald karakter tijdens fotoshoots of modeshows, waarvoor een model zijn of haar emoties goed moet kunnen reguleren en zelfs manipuleren. Een ander belangrijk onderdeel van modellenwerk is het laten zien van een bepaald ‘ zelf’ – in de vorm van specifieke persoonlijkheid, ook als er geen camera’s in de buurt zijn. Omdat zowel het uiterlijk als de emoties en persoonlijkheid van modellen worden ingezet en gevormd door hun beroep, heeft het werk nogal wat invloed op de zelfervaring van modellen.’

Rechtvaardiging

In het leven van een model vervaagt de grens tussen werk en vrije tijd. Een model staat altijd ‘aan’; zij of hij is nooit geen model. ‘Omdat hun privéleven zo wordt beïnvloed door professionele doelen en vereisten, kun je stellen dat niet alleen hun lichaam, maar ook hun leven en soms zelfs hun persoonlijkheid wordt gekoloniseerd door de industrie’, aldus Holla. ‘Ik was benieuwd hoe modellen de invloed van het werk op hun persoonlijke leven uitleggen aan zichzelf en aan anderen.’ Holla zag dat modellen dit op drie manieren rechtvaardigen. Allereerst is er de rechtvaardiging van het ‘natuurlijke model’. Modellen die deze uitleg gebruiken, stellen dat zij de schoonheidsidealen van nature, ‘als vanzelf’ en zonder veel moeite belichamen. Zij stellen dus dat zij gewoon zichzelf kunnen zijn als model. Een andere rechtvaardiging is die van het ‘gezonde model’. Modellen die hun werk op deze manier uitleggen, zeggen dat schoonheid voor hen geen doel op zich is, maar dat zij door gezond te eten, te sporten en goed voor zichzelf te zorgen, toch aan de schoonheidsstandaarden voldoen. Tot slot zijn er ook modellen met een meer pragmatische benadering: zij zien het belichamen van schoonheidsstandaarden als een baan waar ze geld mee verdienen en hun lichaam als instrument waarmee ze dit doen.

Norm leidt tot taboe

In het leven en werk van de meeste modellen neemt voeding neemt een centrale plaats in. Letten op wat je eet is een functievereiste voor modellen, terwijl dit vaak onbenoemd en impliciet blijft. De modellenwereld kent een veelheid aan ongeschreven ‘eetregels’, die niet alleen praktische, maar ook morele voorschriften bevatten over hoe een model ‘hoort te eten’. Holla: ‘Ik zag enerzijds dat voeding wordt gezien als gevaar voor het lichaam en als iets dat ten alle tijden moet worden gecontroleerd. Een voorbeeld van een breed gedeeld geloof is bijvoorbeeld dat modellen geen pasta kunnen eten, omdat ze zo’n hoeveelheid koolhydraten niet kunnen verbranden. Of dat ze geen fruit mogen eten na drie uur ’s middags, omdat het lichaam na dat tijdstip de suikers niet meer goed verwerkt. Aan de andere kant heerst het idee dat een ‘echt goed model’ als vanzelf, zonder veel moeite, kan voldoen aan de professionele schoonheidsstandaarden zoals slankheid.’

Deze norm van moeiteloosheid en natuurlijke schoonheid creëert paradoxaal genoeg een taboe op diëten en vasten – dingen die een vast onderdeel vormen van het beroep. Zo’n taboe zorgt er dus voor dat eten, of niet-eten, buiten het zicht van anderen gebeurt, en zo ook een probleem blijft van het individuele model. ' ‘Terwijl eten toch echt een collectieve hindernis is, waar vrijwel alle modellen mee moeten dealen. Weinig eten is al moeilijk, maar de morele voorschriften maken het extra ingewikkeld om eten als schoonheidspraktijk te integreren in het persoonlijke leven. Eten is voor de meeste modellen uiteindelijk een sobere en weinig plezierige aangelegenheid.’

De voordelen van modellenwerk in de periferie

Holla concludeert dat de aandacht voor modellen in populaire media en de grote aantrekkingskracht van het beroep op jonge mensen, kenmerkend zijn voor het (toenemende) belang van fysieke schoonheid in westerse ‘ge-esthetiseerde’ samenlevingen. Maar hoewel modellen op een maatschappelijk voetstuk staan als ‘symbolische dragers van schoonheid’, hebben modellen in hun werk relatief weinig zelfbeschikking, waardoor ‘vervreemding’ van het zelf constant op de loer ligt.

Dit blijkt in mindere mate te gelden voor modellen die in de periferie van de mode werken, zoals in Amsterdam of Warschau. Holla stelt: ‘Hoewel de kans op het behalen van groots succes als model klein is op dit soort plekken en veel modeprofessionals er weg proberen te komen om het te maken in de modecentra van Parijs, Londen of New York, zijn de arbeidsomstandigheden in de periferie beter voor modellen. Toegang tot werk en salarissen zijn stabieler, werkrelaties zijn minder hard en hiërarchisch, en meer vertrouwd. Bovendien zijn de schoonheidsstandaarden er iets minder extreem, waardoor het werk van modellen ook minder continu en ingrijpend is.’ Dit verlaagt de kans op een problematische relatie met het lichaam en verhoogt het gevoel van zelfbeschikking en autonomie, waardoor de zelfervaring van modellen coherenter is, en het werk plezieriger.

Holla is tegenwoordig werkzaam als wetenschappelijk onderzoeker bij Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. In haar huidige onderzoek richt zij zich op gender en beeldvorming, in het bijzonder op genderstereotypering in onderwijs en werk.

Promotiegegevens

Sylvia M. Holla: Beauty, Work, Self: How Fashion Models Experience their Aesthetic Labor. Promotor is prof. dr. Giselinde Kuipers. Co-promotor is prof. dr. Olav Velthuis.

Tijd en locatie

De promotie vindt plaats op vrijdag 14 september om 14.00 uur.
Locatie: Agnietenkapel, Oudezijds Voorburgwal 231, Amsterdam.

Gepubliceerd door  UvA Persvoorlichting