Als burgerschap van recht tot plicht wordt

24 mei 2017

Fransen en Amerikanen zijn trots op hun burgerschap. Voor Nederlanders betekende het idee van burgerschap eigenlijk nooit zoveel. Daarvoor klonk het te veel als burgerlijk. ‘En omdat Nederlanders zichzelf graag als individualisten zien, wekte dat begrip snel weerzin op,’ zegt Menno Hurenkamp, die in kaart bracht hoe het publieke debat over burgerschap de afgelopen drie decennia verliep. Hij promoveert op woensdag 7 juni aan de Universiteit van Amsterdam.

De aandacht voor burgerschap kwam in Nederland pas recent op gang. ‘Tien jaar geleden probeerde de ChristenUnie, die toen voor het eerst in de regering zat, zelfs een Handvest Burgerschap in te voeren’, vertelt Hurenkamp. ‘Maar omdat dat als te betuttelend werd gezien, kwam er niet veel van terecht.’ Toch besteden beleid en politiek tegenwoordig veel meer aandacht aan burgerschap dan toen. In onderwijs, integratie en sociaal beleid wordt actief burgerschap gepropageerd. ‘Maar dat is niet het trotse burgerschap van de Fransen of Amerikanen. Nederlanders moeten van de politiek actieve burgers worden, om de overheid te helpen de druk van globalisering en individualisering te dragen,’ zegt Hurenkamp.

Fatsoenlijk zijn

Burgerschap maakte twee decennia terug entree in het publieke debat als een manier om ruimte te bieden aan culturele verschillen en om de overheid beter te laten werken, als een manier om beter om te gaan met het individualisme. Maar daar kwam niet veel van terecht. Het idee werd vooral ingezet om via gezin, buurt en school het individualisme af te laten nemen. Hurenkamp: ‘Burgerschap in Nederland betekent dus nu vooral fatsoenlijk zijn, werken, van je land houden en voor de buurt zorgen. Het betekent niet of nauwelijks: de overheid controleren.  Daarmee zou je kunnen zeggen dat goed burgerschap inderdaad burgerlijk is geworden.’

Lichte gemeenschappen

Hurenkamp voerde zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek uit onder burgers zelf, en maakte ook een analyse van het publieke debat over het fenomeen burgerschap. Daaruit blijkt dat progressieven en conservatieven elkaar de afgelopen drie decennia vonden in de opvatting dat in kleinschalig initiatief burgerschap goed tot zijn recht komt. ‘In dat soort ‘lichte gemeenschappen’ is er ruimte voor goede wil en barmhartigheid, wat volgens conservatieven van belang is’, zegt Hurenkamp. ‘Maar er is ook ruimte voor het ambacht van burgerschap, wat progressieven dan weer belangrijk vinden.’ Die overlap in opvattingen over burgerschap maakte het mogelijk de verzorgingsstaat te laten terugtreden en toch het idee te handhaven dat burgers meer vrijheid krijgen.

In de pas lopen

In de schaduw van die lichte gemeenschappen is echter te zien hoe de opvatting over burgerschap mensen voorschrijft wat het goede leven is. Culturele, maar bijvoorbeeld ook arbeidsconflicten laten zich niet oplossen door kleinschaligheid of eigen initiatief. Daar is eerder erkenning en respect nodig om mensen het idee te geven dat ze meetellen als burger. Hurenkamp: ‘In plaats van ruimte te creëren opdat mensen hun eigen leven vorm geven, drukt de dominante opvatting van actief burgerschap hen vast in een ongemakkelijke rol, waarin actie een opdracht is om in de pas te lopen.’ 

Hurenkamp pleit voor meer aandacht voor actief burgerschap op andere terreinen dan de buurt en de zorg. Politiek en beleid besteden bijvoorbeeld amper aandacht aan burgerschap in arbeidsverhoudingen, op het internet of in de financiële wereld. ‘Dat is vreemd, omdat nogal een groot deel van ons dagelijks leven daar bepaald wordt.’

Promotiegegevens

Dhr. M.E.A. Hurenkamp: Met opgeheven hoofd. Sociaal burgerschap aan het begin van de 21e eeuw. Promotor is prof. dr. W.G.J. Duyvendak. Copromotor is prof. dr. E.H. Tonkens.

Tijd en locatie

Woensdag 7 juni 2017, 13.00 uur. Locatie: Aula Universiteit van Amsterdam.

Gepubliceerd door  UvA Persvoorlichting