Bob Dickhout (92) was Folia-redacteur in 1949

'Toen was het gewoon een heel saai blad’

13 december 2018

De Amsterdamse Bob Dickhout (92) studeerde elf jaar aan de UvA en werkte in de vroegste jaren zelf bij het universiteitsblad. Hoe was zijn Folia-tijd? ‘Niemand hoefde zich te haasten om snel af te studeren, we deden de leukste dingen.’

‘Mijn studententijd begon in 1945. Ik deed in 1943 al eindexamen, in de bètavakken van het gymnasium, maar als je wilde studeren moest je van de Duitsers een loyaliteitsverklaring tekenen. Dat deed je niet. De rector van het Amsterdams Hervormd Lyceum was gelukkig een goede vent: ik mocht opnieuw eindexamen doen, dit keer in alle alfavakken. Duits, Frans, en Latijn en Grieks. Die echte filosofen – ik vond het allemaal wel interessant.’

‘Na de Tweede Wereldoorlog wilde ik scheikunde en biochemie studeren aan de UvA. Ik woonde bij mijn ouders, zo ging dat in die tijd, en werd lid van het Amsterdams Studenten Corps. Dat leek me wel mooi. Ik kwam in het intellectuele dispuut A.E.G.I.S. en maakte kennis met Propria Cures. Dat was een schendblad dat werd gemaakt door wat vriendjes van me – P.C. kondigde ook de oprichting van Folia Civitatis aan. Later kregen we Folia wekelijks thuisbezorgd, gebracht door de bezorgdienst van drukkerij Clausen. Je moest wel lid zijn van Asva-studentenunie, maar dat was vrijwel iedereen. Het was belangrijk om Folia te bekijken: voor de mededelingen, de zieke hoogleraren en het rijtje geslaagden. Ja, je moest het wel lezen, hoor.’

‘In 1949, het tweede jaar van Folia, vroeg de redactie me als student-redacteur. Ik was inmiddels voorzitter van mijn dispuut bij het Corps en secretaris van het Amsterdams Chemisch Dispuut en het was alom bekend dat ik mijn mond wel kon roeren. Dus ik zei ja. Bij Folia was het mijn taak om wetenschappers te vragen om een boekbespreking of “intrede” te schrijven. Ook kwamen we elke donderdag bijeen in een kantoortje op de Prinsengracht om de drukproef te corrigeren – die namen we op de fiets mee, onder de snelbinders. Het was een leuke tijd, hoor. We hoefden ons helemaal niet te haasten om snel af te studeren, dus ik volgde ook allerlei extra colleges: Italiaans, Spaans. Echt, de leukste dingen.’

Razende katholieken 

 Zelf schreef ik vrijwel nooit, dat was voor de “geleerde” mensen. Ik ben ook niet zo’n schrijver, ik ben een vrij beweeglijk persoon. Wel schreef ik één keer een boekbespreking, van De mechanisering van het wereldbeeld, over fysici en wiskundigen – geweldig, dan kreeg je zo’n dik boek voor niks thuis. Ik tikte de kopie thuis op de schrijfmachine, want Folia had maar een heel klein kantoortje. We vergaderden daarom ’s maandags bij mevrouw Warendorf thuis. Zij was de vrouw van de toenmalig hoofdredacteur van Het Parool en zat als oud-student in de redactie. Dat was prachtig, we kregen koffie met koek.’

‘Ik schreef ook eens een stukje over een Zweeds onderzoek naar kunstmatige inseminatie waarbij studenten gebruikt werden – een van hen had al vijftig nakomelingen. Ik schreef erbij: “Misschien is dit een aardig vak voor een werkstudent. Voor klanten moet u zich maar melden bij de leider van onze Katholieke Volkspartij, de heer Andriessen.” Nou, toen kreeg ik het hele katholieke volk over me heen, terwijl de redactie het geweldig had gevonden. We moesten dus onze excuses aanbieden. De katholieke studenten dienden zelfs een motie van afkeuring in bij de Asva-ledenraad, maar daar bestond de meerderheid uit A.S.C. en A.V.S.V.-leden – mijn vriendjes dus. De motie werd afgewezen, haha.’

Folia was uiteindelijk maar een van de onderdelen van mijn studententijd. Overdag had ik vaak practica, bijvoorbeeld met bacteriën, in de oude laboratoria bij het Roeterseiland en op de Mauritskade – we zetten een bacteriekweek en tussendoor pingpongden we, want het duurde lang voor je zo’n kweek kon aflezen. ’s Avonds ging ik studeren of was ik in de sociëteit: bridgen, pokeren, een beetje praten. Vier uur was ’t gauw. De volgende dag wekte mijn moeder me altijd om half twaalf, want om twaalf uur kwam mijn vader lunchen – dat kon toen gewoon. Ik moest af en toe wel een tentamen halen, natuurlijk. Die waren overigens vaak mondeling, gewoon bij de hoogleraar thuis, heel anders dan nu. Tegenwoordig is de universiteit net een leerfabriek, en de eisen zijn veel lager geworden: er zijn 30.000 studenten van wie er 20.000 niet horen, zeg ik altijd.’

IJdelheid 

‘In totaal heb ik drie jaar in de Folia-redactie gezeten. Toen ik 31 werd dacht ik: nu moet ik even doorpezen met mijn studie, anders misluk ik. Later hoorde ik dat Folia met geldgebrek te maken had en dat het nog maar eens in de twee weken zou verschijnen. Later zelfs eens in de maand. Daar heeft P.C. nog een mooi stuk over geschreven. Ik ben trouwens nog steeds geabonneerd, de nieuwe ligt daar op het tafeltje. “P.C. Onthoofthuis”, staat er nu – ik houd van ironie, dus dat spreekt mij wel aan.’

‘Als je Folia-redacteur was geweest, kreeg je aan het eind van het jaar een ingebonden boek met de hele Folia-jaargang. Kijk, ik heb alles bewaard met mijn naam in de colofon. Dat is de ijdelheid. De laatste papieren Folia’s vond ik erg mooi – het deed me denken aan de VPRO-gids, met zoveel kleur en beeld. Het oogt veel interessanter dan vroeger, toen was het gewoon een heel saai blad. Ik heb ook de website gezien, het is allemaal erg modern.’

‘Ik heb best lang gestudeerd ja, maar ik had ook de langst denkbare studie gekozen. En ik heb het allemaal ingehaald: het was een goede reden om heel oud te worden, haha. Dan gaat alle kennis niet verloren.’

Bob Dickhout (92) is klinisch chemicus in ruste en was van 1949 tot 1952 student-redacteur bij Folia Civitatis.

tekst: Sterre van der Hee (Folia)

Gepubliceerd door  Bureau Alumnirelaties en Universiteitsfonds