André Krom

Werkte in het Tropentheater, hield zich bezig met de ethische aspecten van orgaandonatie, is lid van de toetsingscommissie Euthanasie en werkt nu als senior onderzoeker duurzaamheid.

André Krom

Master Wijsbegeerte (2006)
Promotie UU (2014)
Werkt als senior onderzoeker bij het Rathenau Instituut

Waarom heb je voor een studie aan de UvA gekozen? 

Belangrijkste reden om voor de UvA te kiezen was een combinatie van de goede reputatie van de opleiding Wijsbegeerte aan de UvA en de nabijheid (ik woonde al in Amsterdam).

Ik ben via een misschien wat ongebruikelijke route bij de studie Wijsbegeerte uitgekomen. In het voortgezet onderwijs wilde ik lange tijd de sportacademie doen. Een gymlerares die sportieve leerlingen hiertoe wilde motiveren, gaf daarom op vrijdag extra les, een ALO-training, zeg maar. Langzaam verschoof mijn interesse en ben ik na de havo aan de opleiding Algemeen Management begonnen (Hogeschool Holland in Diemen). Daarnaast ben ik lange tijd veel blijven sporten (zelfverdediging). Bij de managementopleiding was ik één van de jongsten. Ik heb veel geleerd van vakken als algemene economie, bedrijfseconomie, commerciële economie, logistiek en management, maar de vakken die ik toen het meest interessant vond waren juist de meer reflexieve vakken als sociologie, culturele antropologie, politicologie en bestuurskunde. Na ca. 1,5 jaar begon ik het gevoel te krijgen dat de commerciële richting niet echt iets voor mij was. Ik ben toen gestopt met de HBO opleiding, en overgestapt naar de studie Cultuurwetenschappen (Open Universiteit). 

Wat ik echter niet voldoende had beseft, was dat ik daardoor niet langer uitstel kreeg van militaire dienst (ik behoorde tot de laatste lichting voor wie de dienstplicht gold). Ik heb dienst geweigerd als gewetensbezwaarde. In plaats van 9 maanden militaire dienst heb ik een jaar in theater De Meervaart in Osdorp gewerkt, bij de afdeling receptie/ kaartverkoop. Dat was een geweldig jaar. Ik verhuisde naar Amsterdam en kwam op de Plantage Parklaan in Amsterdam-Oost terecht, in een piepklein kamertje op de bovenste verdieping van een pension. Ook op andere afdelingen in het theater werkten enkele dienstweigeraars. Interessante wereld, de culturele sector. Creatief, gezellig en sociaal betrokken. En veel huisjes in Frankrijk. Daar gingen we af en toe met een grote groep naar toe. Een van de collega’s was kok en speelde piano. Zat je lekker in het zonnetje in Frankrijk met heerlijk eten en live muziek.  Op rustige dagen aan de receptie had ik vaak ook tijd om wat te lezen. Na het jaar vervangende dienstplicht ben ik nog 7 jaar blijven in de Meervaart blijven werken. Een korte tijd was dat full-time, daarna 1 dag in de week (vaak op zaterdag) en af en toe een avond. Voor de overdracht schreven we elkaar vaak briefjes, die werden steeds langer, met reflecties op wat er die dag of die avond was gebeurd. Bij mijn afscheid hadden collega’s alles gebundeld en kreeg ik het in boekvorm weer terug. Ontzettend leuk!

In deze periode, het is inmiddels 1998, ben ik mijn studie filosofie aan de UvA begonnen. Via Cultuurwetenschappen was ik al langzaam in de richting van filosofie geschoven – filosofie (o.a. ethiek) was een belangrijk onderdeel van deze studie, naast bijvoorbeeld literatuur en geschiedenis. Omdat ik geen VWO had gedaan moest ik toelatingsexamen doen (colloquium doctum). Dat vond ik nog best pittig. Daarna heb ik me met veel plezier op de studie gestort, wat zich op een gegeven moment in een stijgende lijn heeft vertaald. Uiteindelijk heb ik de studie cum laude af kunnen ronden (specialisatie Ethiek en mensbeelden; minor sociale en politieke filosofie).

André Kron

André Krom in zijn studietijd

Hoe kijk je terug op je studietijd? 

Heel positief, al was het door de combinatie van flink studeren en twee bijbanen misschien wel wat minder sociaal dan gemiddeld. Wel sprak ik vaak na colleges met medestudenten af om verder te discussiëren, bijvoorbeeld bij CREA. Ook gingen we vaak samen naar lezingen. Ik vond dat heel leerzaam en waardevol. Vooral omdat de studie zo’n brede waaier van mensen aantrok. Van slimme jonge mensen die vooral conceptueel en theoretisch heel sterk waren, tot mensen die na hun pensioen weer waren gaan studeren, en al een enorm rijk leven hadden gehad. Dat gaf weer heel  nieuwe perspectieven en leverde weer totaal andere gesprekken op. Na ons afstuderen zijn we nog een paar jaar eens in de zoveel tijd bij elkaar gekomen om gezellig samen wat te eten. Het idee was op een gegeven moment ook dat we om en om iets zouden voorbereiden, maar dat bleek voor de meesten uiteindelijk toch moeilijk te combineren met onze nieuwe bezigheden. Ik heb er goede vrienden aan over gehouden. 

Tijdens mijn studie heb ik op verschillende plekken in Amsterdam gewoond: Oost, Oud-West, Nieuw-West. Dat was steeds op kamers, nooit in een studentenhuis. Ik heb ook nog een tijdje samengewoond, met iemand die ik tijdens de studie had leren kennen. Dat was eerst anti-kraak in een schoolgebouw in Oud-West; daarna in een koopwoning in Amsterdam-Oost. Nadat die relatie voorbij was, heb ik o.a. nog in een woongroep op de Singel achter de Dam gewoond, op loopafstand van de UvA. In die periode heb ik mijn vrouw leren kennen, in de tram op weg van de ene naar de andere bijbaan. We wonen sinds 2005 samen en zijn in 2012 getrouwd. Eind vorig jaar zijn we van Amsterdam naar Haarlem verhuisd. Prachtige stad. Meer ruimte, meer rust.

Ik was o.a. lid van AmFiBi, de studievereniging voor studenten Wijsbegeerte aan de UvA; en zat in een groepje studenten die het eerste jaar van onze lichting hebben geëvalueerd. Ik vind het belangrijk om niet alleen kritisch te zijn, maar ook altijd met suggesties voor verbetering te komen. Verder heb ik naast mijn studie lange tijd 2 bijbanen gehad. Zoals gezegd bij theater de Meervaart in Osdorp. In 1998 ben ik ook in het Tropentheater van het Tropeninstituut gaan werken. Rond die periode hebben veel theaters hun kaartverkoop geautomatiseerd. Bij de Meervaart werkten we al een tijdje met een kaartverkoopsysteem, waar onhandig genoeg geen handleiding voor bestond. In de rustige uurtjes ben ik toen alle functies van het programma gaan uitproberen, en heb ik een uitgebreide handleiding geschreven om voorstellingen te programmeren, en om . Dat heeft me een baan bij het Tropeninstituut opgeleverd. Zij stonden op het punt om hetzelfde computersysteem te gaan gebruiken, dus het was handig dat ik het systeem goed kende. Enkele jaren geleden is het KIT Tropentheater helaas gesloten: geen subsidie meer. Eeuwig zonde. Het was een schitterend theater, met prachtige programma’s. Ik kan me een festival herinneren van snaarinstrumenten van over de hele wereld, vooral plekken waar mensen geen muziek kunnen maken, bijvoorbeeld omdat de overheid dat niet toestaat. Moet je voorstellen! Eens in de zoveel tijd was er een voorstelling in de grote zaal, met daarna “Dansen in marmer”, een dansfeest in de marmeren hal. Met DJ en cocktailbar. Prachtig.

Wie was je favoriete docent en waarom? 

Als ik één docent mag noemen is dat Govert den Hartogh, inmiddels emeritus hoogleraar Ethiek en haar geschiedenis. Belangrijkste reden: Govert is een bijzonder goede docent. Filosofisch gezien nietsontziend maar in discussies – ook met leerlingen – altijd heel sympathiek en constructief. Een perfecte combinatie om iets te leren. Zijn werkgroepen waren altijd hard werken, om het allemaal goed te kunnen volgen, maar dan kreeg je een onderwerp ook echt in de vingers.

Wat heb je sinds je afstuderen gedaan en wat voor werk/baan heb je nu? 

Eind 2002 volgde ik een aantal vakken bij Govert den Hartogh: Ethiek en rationaliteit; en Toegepaste ethiek. Na het eerste vak mailde hij een aantal studenten dat hij een opdracht had binnengehaald van het Rathenau Instituut, om een studie te schrijven over de ethische aspecten van orgaandonatie. Daarvoor zocht hij een student-assistent, voor het literatuuronderzoek. Dat leek me wel wat. Het onderwerp, maar ook de mogelijkheid om met Govert samen te werken. Weer een nieuwe kans om te groeien. En wie weet wat er weer uit zo’n student-assistentschap voort zou kunnen komen…

Ik was geloof ik de eerste die terugmailde, en kon al snel aan de slag. Het is een prachtige studie geworden, die aardig wat stof heeft doen opwaaien doordat Govert bepleitte dat postmortale orgaandonatie een morele plicht is. Het was ook een belangrijke impuls geweest voor de discussie over wederkerigheid bij orgaandonatie: als je een donororgaan wil ontvangen mocht je er een nodig hebben, zou je dan ook niet bereid moeten zijn om een orgaan af te staan na je overlijden? En zou je mensen die zich als donor hebben geregistreerd niet mogen ‘belonen’ door ze een aantal extra punten op de wachtlijst te geven als ze zelf een orgaan nodig hebben? Dat laatste is inmiddels praktijk bij levende nierdonatie. 

Heb je in je werk profijt van je opleiding, en in welke zin? 

Aan het student-assistentschap heb ik mijn huidige baan te danken. Na het student-assistentschap werd ik gebeld door het Rathenau Instituut, of ik nog een klus wilde doen: het in een publieksonderzoek vertalen van de studie van Den Hartogh. Dat was een enorme uitdaging, maar ook erg leuk om te doen. Ineens zat ik ook aan de andere kant van het maken van een boek. Het manuscript van Den Hartogh moest in die periode namelijk ook worden bediscussieerd en geredigeerd. Na deze klus ben ik nog 4 jaar bij het Rathenau Instituut gebleven, tot juli 2007. Inmiddels had ik drie contracten gehad, en de regel bij de KNAW (Rathenau valt beheersmatig onder de KNAW) is dat onderzoekers maximaal 3 tijdelijke contracten, voor maximaal 6 jaar in totaal.

Het was een enorm drukke periode, waarin ik betrokken was bij een groot aantal zeer uiteenlopende projecten van de afdeling Technology Assessment. Over orgaandonatie, “commodificatie” van lichaamsmateriaal, het gebruik van embryo’s voor medisch-wetenschappelijk onderzoek, het gebruik van technologie in de topsport, human enhancement (mensverbetering), militaire technologie en de menselijke maat, privacy en veiligheid (de surveillance maatschappij), en het gebruik van intelligente zorgomgevingen – om maar wat te noemen. Mijn afstuderen heeft daardoor, voorzichtig gezegd,  even op zich laten wachten. Ik was al wel aan mijn scriptie begonnen toen ik bij Rathenau begon, maar dat heeft lange tijd simpelweg stil gelegen. In 2006 ben ik afgestudeerd, op een scriptie over dwang en morele verantwoordelijkheid. Na mijn afstuderen werd ik senior project medewerker.

Medio 2007 ben ik via het Rathenau Instituut bij het Ethiek Instituut van de Universiteit Utrecht terecht gekomen. Daar heb ik tot eind 2012 gewerkt. Het eerste jaar als onderzoeker, waarbij ik me vooral heb beziggehouden met de ethiek van betaling voor lichaamsmateriaal. Dat was wel even een andere wereld, werken aan een universiteit. Om een voorbeeld te geven: waar bij Rathenau een opiniestuk in een landelijke krant hoog op het lijstje staat van succes in een project, hadden dat soort publicaties in Utrecht zeker geen prioriteit. Begrijpelijk, maar wel even wennen. In die periode kreeg ik een mail van Govert den Hartogh met als onderwerp “Nog een keer?” Hij was door het (voormalige) Centrum voor Ethiek en Gezondheid gevraagd om een studie te schrijven over de ethische aspecten van orgaandonatie, in het kader van het masterplan orgaandonatie. Of ik hem daar weer bij wilde helpen. Graag natuurlijk. En zo geschiedde. Het was opnieuw een zeer interessant project. Bijkomend voordeel was dat ik van de inkomsten mijn contract in Utrecht drie maanden kon verlengen. Toen ook het einde van dit contract in zicht kwam. Ondertussen kwam de (open) vraag of ik eventueel weer terug zou willen naar Rathenau. Het antwoord: ja, maar niet meteen. Eerst promoveren. Met een aantal collega’s heb ik een voorstel geschreven voor NWO Maatschappelijk Verantwoord Innoveren, over toestemmingssystemen voor bio-banken. Dat voorstel werd helaas in de eerste ronde afgewezen. Ondertussen had mijn collega en latere promotor Marcel Verweij bij ZonMw een opdracht binnengehaald over Infectieziektebestrijding en het schadebeginsel. Dat is een heel leerzaam project geworden, met een prachtige combinatie van heel praktisch werk (casusbesprekingen bij het RIVM en GGD’s) en theoretische reflectie, met als expliciet doel om de theorie te laten profiteren van een ‘confrontatie’ met de praktijk, en andersom. Zo zou toegepaste ethiek er mijns inziens uit moeten zien.

In deze periode heb ik me ook met andere zaken beziggehouden. Ik kreeg de kans om lid te worden van een internationale werkgroep die zich bezighield met “organ tourism”, heb me met veel plezier ingezet voor de promovendiraad van de (voormalige) Onderzoekschool Ethiek, was redacteur van de (voormalige) Nieuwsbrief van de Nederlandse Vereniging voor Bio-ethiek, en organiseerde de colloquia praktische filosofie in Utrecht. Allemaal heel leerzaam en bevredigend. 

Toen het concept van het manuscript van mijn proefschrift klaar was (eind 2012), kwam er een interessante vacature van het Rathenau Instituut voorbij. Ze zochten een senior onderzoeker duurzaamheid. Nu was duurzaamheid niet mijn thema, maar ik zag wel allerlei methodologische parallellen tussen mijn eerdere onderzoek en de gevraagde benadering van het thema duurzaamheid. Na drie zware rondes (zo hoort het!) was ik aangenomen. Sindsdien werk ik weer met veel plezier bij de afdeling Technology Assessment. Een prachtige baan op het snijvlak van wetenschap, technologie en samenleving. Hoe kun je een taal vinden waarin deze domeinen op een zinvolle manier met elkaar in gesprek kunnen gaan over welke richting wenselijk is en welke rol daarin is weggelegd voor technologie? Ik heb onlangs verschillende projecten afgerond: een Europees project overPublic Health Genomics, een Europees project over duurzame consumptie, en een project over hoe onze grondstoffenhonger op een duurzame manier kan worden gestild. Nu ga ik o.a. aan de slag met het thema “de slimme stad”, waarin onder meer aandacht zal worden besteed aan de opkomst van de deeleconomie en de circulaire economie. Belangrijke onderwerpen, en een eer om daar een bijdrage aan te mogen leveren. Ik ben begin januari 2014 in Utrecht gepromoveerd. 

Tot slot, eind 2012 ben ik ook lid geworden van één van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie die Nederland rijk is. De toetsingscommissies beoordelen of artsen, die euthanasie of hulp bij zelfdoding hebben toegepast daarbij hebben voldaan aan de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Ook dat is heel leerzaam.

Heb ik in mijn werk profijt gehad van mijn opleiding? Jazeker! Mijn studie heeft talloze deuren geopend naar zeer boeiend en uitdagend werk. Binnen dat werk komen de analytische vaardigheden en focus op argumentatie en onderbouwing die eigen zijn aan de studie Wijsbegeerte vervolgens zeer goed van pas. 

Welke meerwaarde heeft de AUV als alumnivereniging voor jou? 

Eerlijk gezegd heb ik tot nu toe zelf weinig gebruik gemaakt van de prachtige mogelijkheden die de AUV biedt. De meerwaarde van de AUV voor mij zit er op dit moment vooral in dat ik op de hoogte blijf van de belangrijkste ontwikkelingen binnen de UvA en van welke interessante lezingen en debatten er bijvoorbeeld bij SPUI25 worden georganiseerd. Ik denk geregeld: kon ik daar maar heen. Met twee drukke banen en een privéleven is het vaak puzzelen met de tijd. 

Ik hoop de andere AUV-leden ook eens persoonlijk te ontmoeten! 

In de rubriek 'Leden aan 't woord' vertellen kringbestuurders en leden over hun studie aan de Universiteit van Amsterdam en hun banen. Ook geven ze hun visie op het belang van een alumnivereniging.

Wil je ook je verhaal delen? Stuur dan een e-mail naar auv@uva.nl.

Gepubliceerd door  Bureau Alumnirelaties en Universiteitsfonds

1 december 2016